Sinds een aantal weken is er een, voor mij althans, vreemde discussie aan de gang waarin Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV, zich hard maakt voor de verplichting voor arbeidsorganisaties om minimaal 40% vrouwen in het bestuur te benoemen.

Ik begrijp zeker wel de emancipatoire gedachte achter deze inzet, en kan daar zeker ook wel achter staan. Alleen de gedachte van een quotum!? Nee, daarin kan ik echt niet meegaan. Nederland heeft op meerdere onderwerpen bewezen dat wij geen land zijn om quota na te leven. Wij zijn hooguit in staat quota te laten voortbestaan zonder er iets mee te doen; zeker in onze arbeidsmarkt! Een simpel voorbeeld is de in 1987 ingestelde WAGW, Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers. De bedoeling van deze Wet was de arbeidsparticipatie van gehandicapte werknemers te bevorderen. Minimaal 2 tot maximaal 5% van de personele bezetting van een organisatie moest uit gehandicapten bestaan; een quotum dus!. Het eerste probleem dat ontstond was, dat de overheid verzuimde aan werkgevers uit te leggen wie er onder de noemer gehandicapte werknemers werd bedoeld. Tweede probleem was het feit dat de overheid deze maatregel wettelijk had opgelegd, op straffe van forse boetes. Zeker toentertijd, en ook nu nog steeds, houden werkgevers er niet van om zaken dwingend opgelegd te krijgen. Derde en wellicht het grootste probleem: De overheid gaf zelf niet het goede voorbeeld. Vierde probleem: De overheid handhaafde niet!

Kortom, de WAGW was een op voorhand verloren regeling. En dat terwijl we op dat moment in Nederland in rap tempo afstevenden op een onbeheersbare en onbetaalbare WW, ZW en WAO.

Al voordat ik in het personeelsmanagement terecht kwam, was ik ervan overtuigd dat een afdeling die geleid wordt door een vrouw veelal een uitstekend functionerende afdeling is. Waar mensen werk verzetten in een goede kwaliteit en goede onderlinge verstandhouding. Het is mijn ervaring dat vrouwen op basis van hun intuïtie gemakkelijker de juiste keuzes maken en de juiste beslissingen nemen. Vrouwen draaien ook niet lang om zaken heen. Als het ze niet aanstaat, krijg je het vrij snel en duidelijk van ze te horen.

Dit is generaliserend opgeschreven, dat besef ik; en ik ken ook uitzonderingen. Vrouwen die zich alleen maar (kunnen) bezighouden zichzelf staande te houden binnen een onevenredig zwaar politiek krachtenveld, waarbinnen een aantal mannen een onderling spel speelt en waarvan je de inhoud en intenties maar liever niet kent, anders dan dat zij er alles voor doen zichzelf en elkaar in het zadel te houden. Daar wil je als man al niet tussen zitten, dus ook als vrouw niet.

Ik zou dus tegen Agnes Jongerius zeggen: “Laat dat quotum voor wat het is en gooi het eens helemaal over de boeg van talentontwikkeling. Daar krijg je de handen voor op elkaar onder werknemers én werkgevers”.

Neelie Smit Kroes, wat je ook van haar politieke kleur vindt, is een voorbeeld van een vrouw die zich op basis van talent heeft ontwikkeld en uiteindelijk topfuncties bekleed. Zij heeft daartoe zelf de keuze gemaakt, dat is een belangrijk gegeven. Zo zijn er meer vrouwen te noemen: Sylvia Toth, bijvoorbeeld, heeft toch maar een flink organisatie opgebouwd; Annemarie van Gaal, ook een vrouw die ervoor gekozen heeft een loopbaan op te bouwen. Ik noem het bewust geen carrière! Ik vind dat steeds weer een negatief beeld oproepen en binnen de Nederlandse arbeidsmarkt lijkt een vrouw die carrière maakt, nog steeds niet makkelijk geaccepteerd.

Dus talent ontwikkeling vind ik meer een oplossing, de keuze van de individuele werknemer in wat hij of zij wil bereiken. En dan niet het talent van één specifieke groep werknemers, nee, het talent van iederen die zich op de arbeidsmarkt begeeft: man, vrouw, autochtoon. allochtoon, jong, oud, gezond, arbeidsgehandicapt, kortom, iedereen vedient het om zijn of haar talenten tot ontwikkeling te brengen. Dat is goed voor de werknemers: het ontplooien van de eigen loopbaanmogelijkheden. Het is goed voor de werkgevers: goed gemotiveerde werknemers die datgene uitvoeren in hun werk waarin zij zich sterk voelen. Daardoor hoge kwaliteit van werk en prima productiviteit. En last but not least: Heel goed voor de arbeidsmarkt; niet alleen vandaag maar ook in de toekomst.

Terug naar vrouwen in de top van arbeidsorganisaties. Ik ben er absoluut voorstander van om een aantal redenen. Ik weet zeker dat vrouwen veelal een zeker evenwicht brengen in het zakelijk verkeer. Zij zijn minder gevoelig voor luchtfietserij en “vriendjes de bal toe spelen” in het zaken doen. Mannen zijn daarin nu eenmaal makkelijker te beïnvloeden. Zoals de vrouw binnen de accountantsmaatschap waar ik werkzaam was, en die zichzelf had opgewerkt tot vennoot. En dat in wat zeker toen een ongelooflijke mannenwereld was. Deze vrouw had gestudeerd, was als assistent accountant gaan werken, gehuwd, kinderen gekregen en tegelijkertijd opgeklommen tot vennoot van die grote machtige maatschap. Deze vrouw heeft moeten knokken en veel weerstand moeten overwinnen; dat is een hele strijd geweest.

In onze huidige tijd waarin we allemaal nog meer zekerheid zoeken van inkomen en bestaan. Waarin de organisaties in toenemende mate een tekort aan arbeidskracht hebben; kleur, ras, sexe, politieke voorkeur, enzovoort; het doet er niet toe. Als werkgevers hun management nog nadrukkelijker inrichten op talentontwikkeling, waardoor de ambities van de organisatie en de ambities van haar medewerkers goed op elkaar aansluiten, dan zal niet alleen de kwaliteit van de arbeidsparticipatie maar ook de kwantiteit ervan aanmerkelijk verbeteren.

Een gedachte die ik liever niet tot een politiek item zie verworden. Zodra dat gebeurd is het ten dode opgeschreven, zoals ook het quotum van 40% vrouwen in de top van organisatie op voorhand gedoemd is te mislukken. “Een sombere conclusie”, zeg ik tot Agnes Jonerius, “maar besteed jouw, en onze energie niet in iets waarvan je op voorhand weet dat het niet uitvoerbaar is.