In de eerste helft van de jaren 80 van de vorige eeuw, had Nederland ook te kampen met stevige vraagstukken binnen de arbeidsmartkpolitieke verhoudingen. De arbeidsmarkt moest flexibeler worden; er moesten meer mensen aan het werk raken. Arbeid moest eerlijker verdeeld worden. Ook de emancipatie op de arbeidsmarkt moest op gang gebracht worden. Er waren te weinig vrouwen aan het werk, of beter gezegd, er waren te weinig banen waarop vrouwen werden aangenomen; zeker op hogere posities.

De oplossing lag in flexibilisering van de arbeidsmarkt. De eerlijker verdeling van arbeid zou tot stand gebracht moeten worden door verkorting van de arbeidstijd en het toestaan door werkgevers van deeltijd arbeid. Althans zo werd vanuit de vakbonden geredeneerd. De werkgevers stonden juist op het standpunt dat de bedrijfstijden verlengd dienden te worden. Net zoals dat nu het geval is, twee totaal uit elkaar lopende visies.

In die tijd beperkte men zich in de discussie vooral tot deze twee visies. Uiteindelijk is de arbeidstijd verkorting (ATV) er gekomen. Uitbreiding van de bedrijfstijd niet. Door met z´n allen minder te gaan werken, creëerden we extra banen, zo was het uitgangspunt. Dat heeft geleid tot de huidige 36-urige werkweek.

Maar heeft ATV ook daadwerkelijk het effect opgeleverd, dat werd beoogd? Meer mensen aan het werk en een flexibeler arbeidsmarkt. Voor een deel is dat gelukt. Er zijn meer vrouwen aan het werk gegaan. Er zijn ook meer deeltijdbanen ontstaan. Maar in hoeverre is dat te danken aan de invoering van ATV?

Vooruitlopend op de defintieve keuze van maatregelen, heeft de regering toentertijd advies gevraagd aan Professor Albeda. Als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, heeft hij een rapport uitgebracht waarin hij een 10-tal maatregelen noemde die in onderlinge samenhang zouden leiden tot de gewenste flexibilisering op de arbeidsmarkt. ATV en verlenging van de bedrijfstijd waren twee van die voorstellen. Met de overigen is niets gedaan.

In de praktijk van de jaren nadien, kon duidelijk worden vastgesteld dat de invoering van ATV als enige maatregel niet voldoende is geweest. Binnen veel organisaties was het de praktijk dat iederen minder ging werken, maar daarvoor in de plaats nauwelijks of geen nieuwe arbeidsplaatsen werden ingevuld. De werkdruk op de bestaande personele bezetting nam fors toe en dat leverde op zich weer compleet nieuwe probelemen op in de arbeidsmarkt. Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.

Onder de druk van toenemende productiviteitseisen begon het fenomeen werkstress de kop op te steken. Dit deed de arbeidsmarkt in ons land geen goed. In combinatie met een teruglopende werkgelegenheid, groeide het aantal arbeidslozen gestaag. Zowel het aantal mensen met een WW-uitkering als zij met een WAO-uitkering nam fors toe.

Dit leidde tot het inzicht dat er snel iets moest gebeuren aan het terugdringen van het aantal arbeidslozen. Er werd drastisch gesneden in de hoogte en de maximale duur van een WW-uitkering. Mensen kwamen daardoor onder druk te staan om toch vooral hun uiterste best te doen om weer aan het werk te geraken om niet in de bijstand terecht te komen. De WW dreigde onbetaalbaar te worden, dus moest er stevig worden ingegrepen.

Ook de Wao-ers ontkwamen niet aan maatregelen en dat gold ook voor werknemers die zich ziek hadden gemeld bij hun werkgever. Zo kon het gebeuren, dat rond 1995/1996 alle Wao-ers werden herkeurd. Dat heeft tot dramatische ontwikkelingen geleid. Zelfs mensen met een meervoudige handicap werden volledig arbeidsgeschikt verklaard. Het beeld van een meervoudige gehandicapte jonge vrouw in een rolstoel; ik herinner het me als de dag van gisteren. Zij werd op televisie getoond als een van de slachtoffers van de herkeuringswoede die er gaande was; zij was volledig arbeidsgeschikt verklaard. Zo´n herkeuring leidde ertoe dat veel Wao-ers in de WW terecht kwamen. Die was inmiddels al aardig minder gunstig als voorziening voor werklozen, dus de Wao-ers konden vermoeden wat hen te wachten stond.

Ik herinner me dat ik als interim manager van een Arbeidsonderzoekcentrum werkzaam was in die tijd. In dat centrum werd onderzoek uitgevoerd naar de arbeids(on)mogelijkheden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Tot de opdrachtgevers behoorden ook de uitvoeringsinstanties als GAK en Cadans, het huidige UWV. Ik voerde een intakegesprek met een jonge man van begin 40. Hij had jaren in de bouw gewerkt en zijn rug compleet in de vernieling gejaagd. Er moest onderzoek worden gedaan naar het soort arbeid dat voor deze jongeman geschikt zou en waarin hij weer aan het werk zou kunnen. Dit onderzoek moest plaatsvinden, omdat hij tijdens een herkeuring WAO weer volledig arbeidsgeschikt was verklaard en in de WW terecht gekomen was. De uitkeringsinstantie wilde weten wat voor werk hij zou kunnen uitvoeren om hem zo snel mogelijk weer uit de WW te krijgen.

Ook deze beperkte benadering past in het plaatje van een vorm van tunnelvisie. Werk was er in die tijd moeilijk te vinden, om te beginnen. Daarnaast speelden de sociale omstandigheden van de betrokken man ook een belangrijke rol. Hij was al bijna 10 jaar in de Wao en had in die tijd een geheel eigen ritme en sociaal netwerk opgebouwd. Niet te vroeg opstaan, rond 10.00 uur op zijn stoeltje bij de voordeur kletsen met de buurman………….. Veel verder kwam hij niet in zijn activiteiten. Om deze man te reïntegreren is dus heel veel meer nodig dan een baan en de dwang deze te moeten accepteren. Deze man moest worden begeleid in het zich aanleren van een compleet ander dagritme, een nieuw sociaal netwerk én voorbereid op de inmiddels veranderde manier van leiding geven en omgaan met elkaar binnen arbeidsrelatie.

Heel veel goedbedoelde initiatieven als omscholing gingen hopeloos mis. Mensen werd een vak geleerd maar intrensiek niet voorbereid op de arbeidsmarkt in het algemeen en arbeid in het bijzonder. Vele omscholingstrajecten met een prijskaartje variërend van zo´n slordige 15.000 tot wel 25.000 guldens leverden wel een diploma op, maar geen baan.

Voor dit moment wil ik met deze column aangeven hoe fragmentarisch er in Nederland steeds weer wordt gekeken en gehandeld wanneer het de arbeidsmarkt en werkgelegenheid aangaat. Albeda kreeg geen gehoor, of maar deels. Op dit moment benoemen vele partijen, al dan niet ieder binnen hun eigen straatje, problemen in de arbeidsmarkt. Zou er nu wel kans bestaan op een samenhangend geheel van maatregelen? Of blijven we weer hangen in een eenzijdige benadering en beperken we ons uit eindelijk toch tot alleen wijziging van het ontslagrecht?